nieuws / Emancipatie, bestemming en vriendschap

« terug naar overzicht

Udo Teunis, voormalig werknemer en vriend van het bedrijf vertelde in 2004 uitgebreid over zijn ervaringen:

In de zomer van 2004 hopen jullie bestaan en bedrijf voort te zetten op een nieuwe plaats, in een nieuwe schuur met winkel en kantoor, en in een nieuwe huis, model klassieke Stolp. Een enorme stap, als mens en als ondernemer, getuigend van een enorme moed, doorzettingsvermogen, idealisme en ook wel een zekere roekeloosheid. Een stap die jullie willen markeren met een terugblik: herinneringen van mensen die intensief betrokken zijn geweest bij de ontwikkeling van De Lepelaar als bd-bedrijf, en daardoor bij jullie leven. Aan die herinneringen wil ik gaarne een bijdrage leveren. Een actieve bijdrage aan de stap die jullie nu zetten kan ik in mijn huidige leven niet meer leveren, maar meeleven, in bewondering en soms met een zekere vrees in het hart, kan ik nog wel en doe ik ook met dit verhaal.

Wat/wie/waar ben je nu ?

Laat ik beginnen met de laatste vraag: wie/wat/waar ben je nu ? Ik ben vijftig jaar. Vier van de zeven dagen slijt ik als rijksambtenaar op de dertiende verdieping van een nieuw kantoorpand in het centrum van Den Haag. Ik werk van acht tot zes, half uur pauze, negen uur per dag, ongeveer het aantal werkuren waarmee ik in 1971 in Warmenhuizen begon (van zeven tot zes, met twee uur pauze over de dag). Mijn werk heeft heel weinig met natuur en landbouw te maken. Tijdens mijn ambtelijke werkweek woon ik op een flat in Den Haag Mariahoeve, negen hoog met balkon op het noordoosten, waar weinig wil groeien.

Van donderdagavond tot zondagavond woon ik in Hoensbroek, Zuid Limburg bij Heerlen. Hoe dat zo is gekomen doet hier niet ter zake: daar getrouwd, inmiddels gescheiden, zoon in het weekend bij mij. In Hoensbroek huur ik een appartement boven winkels met een groot dakterras achter, waar het nodige in potten en bakken staat. In Hoensbroek heb ik ook een volkstuin, in totaal zo’n 150 m2, met een klassiek teeltplan: aardappelen, groenten en een hoekje snijbloemen.

Ik lijd dus een tamelijk gespleten leven. Vier dagen ambtenaar, gedrenkt in de rationale van een bestuursorgaan, het jargon van de ambtenarij die de politiek bedient. Drie dagen vader en volkstuinder, wat het laatste betreft tussen medetuinders die in ieder geval als werknemer zelden een kantoor van binnen zien, voor een deel nog oud-mijnwerkers van Italiaanse of Poolse herkomst die ik nauwelijks versta maar uitstekend begrijp; het gesprek van tuinders onder elkaar is redelijk universeel.

Hoe ben je in aanraking gekomen met
De Lepelaar ?

In 1970 startte ik, na een verhuizing uit de omgeving van Rotterdam, in het vijfde leerjaar Gymnasium-A van het Murmellius aan de Bergerhout te Alkmaar. Een klas van zo’n 8 leerlingen, die alle 34 lesuren met elkaar doorbrachten (we zijn hier nog voor de Mammoetwet). Na enige weken voegde zich een nieuwe leerling bij ons klasje, Nico Schrijver, overgestapt uit de B-stroom. Hij had een achterstand met Grieks; ik zou hem helpen. Zo kwam ik voor de eerste keer in Warmenhuizen terecht.

Nico vertegenwoordigde een andere wereld: de enige in de klas, en de eerste in mijn leven, die van het platteland kwam. Geen ‘boer’ overigens in zijn doen en laten; meer, zoals ik later zou ontdekken, een telg uit een soort dorpspatriciaat, groot in een kleine wereld en daardoor uitstekend toegerust voor de grote wereld.

Ook het huis waar ik heen fietste om te helpen met Grieks (vijftien kilometer; Nico fietste dat iedere dag) stond voor mij in een andere wereld. Typisch platteland was het op dat moment overigens niet: het land net weer in gebruik genomen na een intensieve herverkaveling, een beetje rommelig en zonder eigen sfeer. Een dorp dat nog wel de sfeer had van het vroegere eiland in een vaarpolder, geïsoleerd en in zichzelf gekeerd, maar nu omgeven door een landschap dat ook in de Flevopolders had kunnen liggen.

Het huishouden-Schrijver verkeerde eveneens in een overgangsfase. Vader Schrijver was niet ongeschonden door de verkaveling gekomen. Hij had na een hartaanval zijn bedrijf weer opgepakt, maar het ging duidelijk niet meer zoals het moest. Zoon Jan had nieuwe ideeën over land- en tuinbouw omarmd, een loopbaan als hovenier opgegeven en een stukje van zijn vaders land gepacht om een biologisch-dynamische tuinderij te beginnen. In huis was de sfeer van vroeger vermengd met de inbreng van vijf kinderen, heel verschillend qua leeftijd en karakter. Het was allemaal heel anders dan ik van huis uit gewend was; ik voelde me er gelijkertijd thuis en een totale vreemde.

In de herfst van dat jaar vroeg Nico mij of ik belangstelling had om als zaterdaghulp bij zijn vader te komen werken. En zo fietste ik op zaterdagmiddag (we hadden nog les op zaterdagochtend) opnieuw naar Warmenhuizen, om aardappelen te rapen. Niets bd nog, maar ‘gewoon’; desondanks rijkelijk gemengd met distels en ander onkruid, want de akkers waren tijdens de verkaveling flink in het vuil gelopen. Dat werken pijn doet aan je handen, je knieën en je rug wist ik na m’n eerste middagje wel. Toch gaf het werk van meet af aan de voldoening van ‘echt werk’, een gevoel dat ik mijn gymnasiastenbestaan nauwelijks kende.

Die herfst en winter bracht ik zo nog een aantal middagen in Warmenhuizen door. In het vroege voorjaar van 1971 werd ik door Jan Schrijver gevraagd om te helpen op zijn, inmiddels al weer wat gegroeide, bd-bedrijfje. Mijn eerste klus was te helpen met het planten van rabarber aan de slootkant voor de oude kas, die dezer dagen zijn bestaan eindigt als varkenskot. Vanaf die tijd werd ik min of meer vaste zaterdag- en vakantiehulp, op het ‘gewone’ bedrijf en steeds meer ook op het bd-bedrijf. De lange zomervakantie van 1972, voor de universiteit in september zou beginnen, bracht ik bijna helemaal in Warmenhuizen door, net als de meeste vakanties en de meeste zaterdagen daarna, tot ik in 1981 definitief naar Den Haag verhuisde en ook mijn ouders uit Alkmaar vertrokken.

Wat betekende het werken bij
De Lepelaar voor je ?

Wat betekende toen dat werk voor mij ? Heel veel. Natuurlijk was het een bijverdienste, welkom naast een kleine beurs en ouderlijke bijdrage, maar er waren vast wel lucratiever studentenbaantjes te vinden (al zou ik daar nooit een tas met aardappelen en groenten van ‘eigen’ bedrijf hebben meegekregen). En niet voor elk baantje zou ik dertig kilometer hebben moeten fietsen door weer en wind (meestal terug tegen, soms heen) of de zomervakantie hebben hoeven doorbrengen in een oude tent of op de boetzolder.

Wat dreef mij dan om dat werk te doen en het zo lang vol te houden ? Ik denk in hoofdzaak drie soorten motieven: emancipatie, een vaag gevoel van bestemming, en vriendschap.

Emancipatie: vooral van mijn eigen verleden, mijn zelfbeeld als onhandige dromer. Wat was ik er voor eentje, toen ik in 1970 voor het eerst in de rij aardappels op de knieën ging ? Lang (valt nu niet meer op, toen nog wel), mager, kromlopend (valt je lengte minder op), de ogen op de grond gericht (hoef je niemand aan te kijken), altijd als laatste gekozen met gym, gepest, eenzaam, gevangen in een dromenwereld. En daar werkte ik opeens, kon ik met de nodige moeite het tempo bijhouden, tilde ik kisten van 29 kg. (25 kg. aardappels, 4 kg. tarra), het liefst twee op elkaar als er minder inzat, schoffelde ik eindeloze rijen kool uit, beginnend bij de vuilste. Er zat vaak een enorme drift, drijfveer, achter het willen kunnen, het kunnen volhouden, 9 uur op een dag, soms ook langer als het druk was. Die drijfveer was niet competitie, beter willen zijn; wel erbij willen horen, laten zien dat ik het kon. Veel van wat ik in mijn leven nog aan kracht en handigheid heb weten te vergaren stamt uit die periode. En altijd naar de grond kijken komt goed van pas met een schoffel in je handen.

Emancipatie: ook wel van de schuldbewuste gymnasiast die liet zien niet op zijn afkomst neer te kijken en bereid te zijn ‘echt werk’ te doen. Dat werk bevredigde mijn behoefte aan arbeideristisch gedoe. De kledingcode en het politieke klimaat van de jaren ’70 stonden toe dat gedoe ook in mijn studentenleven voort te zetten, maar in Warmenhuizen was het een beetje echt, dichtte zich enigszins de kloof tussen wat ik was en wat ik vond dat ik zou moeten zijn. Het werk op het land gaf me een gevoel van eenheid dat ik in mijn studie, en later vaak ook in mijn ambtelijk werk, mistte.

Een gevoel van bestemming was er ook, en is er nog, maar dat is moeilijker te omschrijven. Op één of andere manier was er altijd een gevoel van thuiskomen op het moment dat ik het pad naar de schuur opfietste, en nog, als ik op mijn tuintje mijn overall en laarzen aantrek, is dat gevoel er. Alsof er ergens op de achtergrond altijd een boer Teun is geweest, die er eigenlijk niet mocht zijn, niet meer past in het moderne leven, maar dan, in die schuur, op die tuin, even opgelucht adem mag halen. Een boer die zijn plaats met anderen moet delen en uiteindelijk machteloos bleek, verbannen naar een volkstuintje.

Vriendschap, tot slot, was ook een belangrijk motief. Geleidelijk aan werd de hele Schrijverclan toch een soort familie. Geleidelijk aan, want lang voelde ik me toch te onwaardig om meer dan een passant, een zaterdaghulp, te zijn. Dat was vooral mijn gevoel, want van meet af aan was ik gewoon welkom in de kring, aan de koffie ’s middags bij de thee, in de eindeloze gesprekken en discussies tijdens het werk. Later, toen ik alleen nog op zaterdag kwam werken werd het gevoel van afstand minder. Vaak at ik ’s middags mee en bleef ik koffie drinken voor de fietstocht terug. Zo was ik vaak dicht bij wat er voorviel in het gezin van Jan en Inge, toen nog in het huis aan de Oostwal, en waren zij dichtbij alles wat er in mijn leven gebeurde, in die jaren. Veel van de eerste jaren van Reinout heb ik van nabij meegemaakt. Ook dat was een kennismaking met een nieuwe wereld, waar ik zelf pas zoveel later deel van zou uitmaken. Veel van die zaterdagen behoren toch tot de dierbaarste herinneringen uit die jaren.

Welke herinneringen heb je aan Jan en Inge en anderen ?

Herinneringen: het zijn er vele. Ik ben geen mens van sappige anekdotes, dus maar een poging tot de grote lijn…In de eerste jaren dat ik in Warmenhuizen kwam was er veel dat voor mij nieuw was en dus diepe indruk maakte. Er was natuurlijk de ontdekking van de land- en tuinbouw zelf, van hoe dat nu eigenlijk ging met mesten en bewerken, planten en oogsten. Alles wat daarover te ontdekken viel zoog ik op als een spons, ik las het nodige en pretendeerde ten slotte meer deskundigheid dan ik bezat.

Maar het waren vooral de gesprekken en de ontmoetingen die de herinneringen uit die jaren kleuren. Het was ook wel een gezelschap, dat daar bij de boet de kisten in een kring zette voor de koffie en de thee. In de zomermaanden kon het aantal losse en vaste werkkrachten makkelijk tot zeven oplopen. Dat waren bijna allemaal vreemde vogels, de meesten niet van het platteland en allemaal met hun eigen motieven om een tijdje op een alternatief bedrijf te werken.

Ik herinner met iemand als Flip, met wie ik de fascinatie voor het ‘oude’ platteland deelde: zijn verhalen over de boeren bij Bergen bij wie hij eerder had gewerkt, zijn koketteren met het Westfries. Of Paul: uit een rijk Bergens geslacht, maar beresterk en handig, en dus iemand waar ik in het begin tegen opzag en opwerkte. Maar ook iemand als Chin, een Canadees met een drugsverleden, die boete deed door zuivering in de macrobiotiek. Een dieet van vierjarenthee en eindeloos uitgewassen zilvervliesrijst. Ik deelde een tijdje de boetzolder met hem, maar delen van eten en gedachten zat er niet in. Ook hij ging weer, na een tijdje, zoals iedereen uit de beginjaren.

Maar vooral herinner ik met uit die jaren de eindeloze gesprekken en discussies, waarvoor vooral het kruipen in de rijen aardappels en uien zich leende (kist tussen je in en volgooien maar; werk dat inmiddels allang is gemechaniseerd). Vooral met Nico heb ik zo heel wat afgepraat, soms ook met Jan (hetgeen ik toen als een bijzondere eer ervoer). Vooral politiek, maar ook de bd-landbouw zelf, waren onderwerpen waar we lang zoet mee konden zijn. Het waren de jaren van opkomend milieubewustzijn, van de eerste kritiek op de ongeremde welvaartsgroei, van de energiecrisis en “het wordt nooit meer zoals vroeger”, van de kabouters en van al die langharigen die daar een beetje op wilden lijken maar het, achteraf gezien, helemaal niet waren. Er was zoveel om over te praten. In die gesprekken vormden en voedden we ons beeld van de wereld, want we waren jong en er was veel om je een mening over te vormen in een wereld die snel veranderde, op een bedrijf dat pionierde met nieuwe vormen en gedachten.

Zo luisterden we ook naar de verhalen van de oude Schrijver, venster op een verdwenen wereld. We luisterden naar de verhalen van de ‘gewone’ boeren en tuinders uit de omgeving, mannen als Jaap Vlam, Jo Modder, de broers Barsingerhorn, voor mij toch stemmen uit een andere wereld.

Uit die jaren zijn er ook de herinneringen uit de winkeltjes in Amsterdam, waaraan Jan toen nog direct leverde. Een enkele keer reed ik mee in het VW-busje, later de Hanomag, om de kisten in en uit te sjouwen. Het was een wereld apart, die ik overigens ook als klant leerde kennen in de jaren dat ik in Amsterdam studeerde. Samen met Jan eten in de Kosmos of de Golden temple, in een baaierd van ongekende geuren, omringd door wat in die jaren het magisch centrum Amsterdam opzocht: het zijn bijzondere herinneringen aan een wereld waar eigenlijk bar weinig meer van over is.

In later jaren normaliseerde het bedrijf enigszins. Met de bouw van de nieuwe (inmiddels oude) schuur startte toch een proces van professionalisering en rationalisering. Er kwamen nu ook mensen in dienst met meer wortels in de omgeving en in het platteland: mensen als Tienus Vader en Cees Over. Vooral met Tienus heb ik veel gepraat; de afstand tussen ons was klein, hoe verschillend we ook waren qua afkomst en ervaringswereld. We werkten samen op toen zijn vader net was overleden en ook dat verhaal moest worden verteld. Op de zolder van het boetje achter het toenmalige huis van Tienus en Aly, naast de Moriaen, heb ik ook nog een zomervakantie lang gebivakkeerd. Ik hoorde Tienus dan ’s ochtends op vijf uur met zijn besteleend vertrekken naar zijn eigen landje bij St. Pancras, om daarna keurig om zeven uur op het bedrijf in Warmenhuizen aan te komen en desnoods ’s avonds na de boterham weer naar Pancras te gaan. Wat werken is, dat leerde ik ook in die jaren.

Ik herinner me ook hoe Inge voor het eerst de nieuwe schuur binnenstapte, als stagiaire van het Warmonderhof. Er was kennelijk toen al het gevoel: hier gebeurt iets bijzonders, en inderdaad… Met de komst van Inge startte ook een periode waarin ik wat vaker voor andere dingen dan het bedrijf in Warmenhuizen kwam. Feesten en verjaardagen natuurlijk, maar ook het opknappen van het eerste eigen huis aan de Oostwal, het huwelijk van Jan en Inge, de geboorte en de doop van de kinderen. De inzegening van het huwelijk was denk ik de eerste kerkdienst die ik in mijn atheïstisch bestaan meemaakte. Genoeg om over na te denken, nog vele jaren later. Maar vooral is er het gevoel uit die jaren er een heel klein beetje bij te horen; een periode dus ook waaraan ik met dankbaarheid terugdenk.

Waarom koos je (niet) voor tuinbouw en specifiek voor de BD-tuinbouw ?

Die periode was ook het begin van het einde van mijn actieve bestaan in de professionele tuinbouw, want toen ik in 1981 naar Den Haag verhuisde, en mijn ouders korte tijd later naar Rustenburg, vervielen zowel de praktische mogelijkheid als de financiële noodzaak om mijn bestaan als zaterdaghulp voort te zetten. Die zomer ging ik, eigenlijk voor het eerst, ‘echt’ op vakantie. Geen onverdeeld genoegen, maar dat is weer een ander verhaal. In de daarop volgende jaren werd ik nog wel eens opgeroepen als de nood hoog was, maar de vaste loop was er toch uit. Wat bleef waren de betrokkenheid en de vriendschap.

Ik heb in die tijd zeker met het idee gespeeld om definitief voor de land- en tuinbouw te kiezen. Uiteindelijk heb ik dat niet gedaan, en ben ik in de schier onvermijdelijke stroom van gym – studeren – baan meegegaan. Gebrek aan kapitaal speelde zeker een rol; een verder bestaan als knecht was me toch teveel van het goede. Maar vooral was er denk ik toch een gebrek aan ondernemingszin en durf, en daaronder aan zelfvertrouwen en geloof in eigen kunnen. Dus zal boer Teun het verder met z’n volkstuintje moeten doen. Gelukkig kan hij op z’n tijd in Warmenhuizen, en straks in St. Maarten, langsgaan om weer wat inspiratie op te doen.

Jan, Inge: ik wens jullie een behouden aankomst op jullie nieuwe stek en een vruchtbare voortzetting van een kostbaar bedrijf !

Udo Teunis, Den Haag/Hoensbroek februari 2004