nieuws / Venten, veilen en verkavelen

« terug naar overzicht

Nico Schrijver, Jan's broer vertelt:

Ter gelegenheid van de opening van de nieuwe vestiging van De Lepelaar haal ik graag wat herinneringen van vroeger op. Aan het opgroeien als tuinderszoon in Warmenhuizen bewaar ik talrijke dierbare herinneringen. 

Eigenlijk gaat er geen week voorbij of ik ben ’s nachts in mijn dromen aan het aardappelen roden, een schuit kool naar de schuur thuis (de 'boet') aan het laveren of met doosjes aardbeien of een mand tuinbonen aan het venten. Dat is niet altijd gemakkelijk uit te leggen als je levenspartner een stadsmeisje uit Beijing is. Misschien onbewust mede daarom wel: hoe verder alleen van huis (in Afrika, Azië of één van de Amerika’s), hoe frequenter en indringender de dromen over vroeger. In vrijwel al die dromen figureert mijn oudste broer Jan, van jongs af een bijzonder aardige en evenzeer ook wat dominante persoonlijkheid. Ontroerend zijn de herinneringen hoe wij samen onder het met de hand koolplanten zetten de tijd doodden met het beurtelings opzeggen van spreekwoorden en gezegden. Ook onder het met het graafje roden van aardappelen had Jan altijd volop verhalen over onze leefwereld: de kerk, meester Vellinga, de zusters, de tuinbouwschool in Hoorn, aangevuld met de nodige Jan nog altijd zo kenmerkende speelsheid en malligheid. Ook mijn vader kon erg om Jan's verhalen lachen.

Van 'de Zuid' naar 'de Noord'
De periode van voor de ruilverkaveling, zeg maar mijn eerste vijftien levensjaren,  heeft op mij een onuitwisbare indruk achtergelaten. Over hoe het tuindersbedrijf van mijn vader Cornelis Schrijver is ontstaan, heeft mijn moeder voorin in dit boekje reeds een prachtig hoofdstuk geschreven. Aan de tuinderij (ook wel ‘bouwerij’) op de Zuid heb ik ook nog wel wat peuter- en kleuterherinneringen van hoe grote kisten sperziebonen, sloffen aardbeien en ook aardappelen met vrachtwagenbedrijf Jan de Kraker uit Kalverdijk, en later met dat van Cor Dekker, meegingen naar de veiling in Alkmaar. Maar de vestiging aan de Oostwal in 1958 deed het tuindersbloed pas echt goed in ons aller aderen stromen. Het gehele gezin werd ingezet om mee te helpen. Zoals gebruikelijk in de streek bestond het merendeel van de verbouw uit kool en aardappelen. Onder de kool was echter een rijke variatie: naast de gebruikelijke denenkool en rode kool, verbouwde mijn vader onder meer ook groene kool, bloemkool (een ambacht apart en het succes was dan ook, zo herinner ik mij, maar matig en duidelijk minder dan in de beschutte groentetuin aan de Zuid), spruitjes, tuinbonen en andijvie.

Bij andijvie denk ik met name aan de prachtige winter van 1962-1963. We haalden toen nog erg laat in het seizoen per slede over het ijs de kisten andijvie uit het land. Door de strenge vorst stegen de prijzen tot ongekende hoogte, vooral ook die van de kool. Ik herinner me nog hoe mijn vader trots vertelde dat kleine rode kooltjes wel meer dan een gulden per kilogram konden opbrengen, zo rond de geboorte van ons broertje Cornelis Marco op 3 januari 1963. Desalniettemin gelastte hij toch op die dag een ‘geboortepauze’ in om te voorkomen dat met de nodige drukte en hulp van de familie De Geus de kool allemaal langs de ‘kraamwoonkamer’ gevoerd zou worden.

In de jaren zestig hebben wij vanuit het bedrijf aan de Oostwal veel groente in het dorp gevent, met name rabarber, aardbeien, sperziebonen en tuinbonen. Op de fiets brachten we ook wel kistjes aardappelen naar vaste klanten. Mijn zuster Lyda en ik waren de vaste venters. Ik herinner me hoe vooral Jan er voor zorgde dat alles er piekfijn en vers uitzag. Hij had en heeft wat dat betreft gouden vingers.

Ik herinner me ook de mooie boottochten helemaal rondom het dorp naar de veiling in Warmenhuizen. Na de Molensloot via de Vishouwer (met fuiken van buurman Gert van der Molen e.a.), langs de laaggelegen polder ’t Meertje aan de linkerhand, met een grote boog om Huize Angela heen, bij de Fabrieksstraat onder de brug door bij Churchill (zoals de grote sigaren-rokende tuinder Molenaar werd genoemd), langs het eilandje van het visserspaar Henk en Vie Vet, de openbare poterbewaarplaats en onze oude boerderij aan de Zuid, voort onder de wat krappe Zuiderbrug over de Bregtsloot en langs het Zwarte Pad naar de veiling. De kool en aardappelen zagen er altijd netjes uit en het was vaak een bedrijvigheid van jewelste bij het veilinggebouw. Ik ben vaak met mijn vader en Jan mee naar de veiling geweest, waarbij tuinders dan met een grote brul een bepaalde hoeveelheid kool aanboden en er gespannen op toezagen dat veilingmeester Thijs Dekker de klok niet onaanvaardbaar ver liet teruglopen. Na afloop dronken we chocolademelk met gevulde koek in het veilingkoffiehuis. Toen mijn vader eens hevige hernia had en Jan naar school was, heb ik zelf ook wel in opdracht van thuis kool geveild. Indien de prijs niet goed was riepen oom Piet de Geus of de veilingmeester zelf ‘ho’.

Eerst werd de kool nog per spoor vanuit Warmenhuizen vervoerd, maar vanaf midden jaren zestig nam het transport over de weg dit over. Triest waren wel de jaren dat veel kool er doordraaide. Voor een habbekrats gingen deze dan soms nog naar de zuurkoolfabriek Vezet, maar al te vaak werd de kool - bijna een jaar na zaaien, planten, schoffelen, oogsten en zorgzaam opslaan en pellen in schuren - als veevoer afgevoerd of gewoon in sloten gestort. Het kan me nog diep raken.

De Kroondomeinen aan de overkant van de sloot
De grondbezittingen bestonden voor de ruilverkaveling uit een aantal akkers, die ik hieronder ga opsommen. Ik, die zo vaak op vergeetachtigheid word aangesproken, schep er een zekere trots en pret in dat ik me eigenlijk de omtrekken van de akkers nog heel goed voor de geest kan halen. Ik zou er nog als een blind paard over heen kunnen lopen…

Bij de start van het tuindersbedrijf hadden mijn vader en moeder de volgende akkers:

  1. twee grote akkers, met tussensloot, achter het huis aan de Oostwal 79. Tezamen ongeveer 3 ha.;
  2. een grote akker met de naam ‘De Dres’, op slechts vijf minuten varen recht achter het huis. Grootte: 1,2 ha.;
  3. een kleine akker (0,5 ha.), gekocht van de weduwe tante Co Jonker en daarom steevast door ons het ‘Cootje’ genoemd, dat zich aan de Molensloot in de richting van Tuitjenhorn dichtbij de ijsbaan bevond;
  4. drie behoorlijk ver weggelegen akkers, tussen Warmenhuizen en Oudkarspel, die mijn moeder erfde bij het overlijden van haar vader Klaas Kroon in 1958. Deze akkers heetten: de Laars, het Groetje en de Vork (tezamen ongeveer 2 ha.). Lange tijd waren deze akkers verhuurd aan Langedijkse boeren (de Laars was toen grasland) of tuinders en pas enkele jaren voor de verkaveling kwamen deze vrij en namen mijn vader en Jan deze in gebruik.

Naar mijn beste herinnering kwamen daar later vlak voor de verkaveling nog in eigendom bij:

  1. een klein sliertig akkertje van de Kerk dat pal naast de ijsbaan met overhangende bomen lag en voordien altijd door Cor de Boer werd bebouwd;
  2. een ander klein akkertje dat twee akkertjes van dat IJsbaanakkertje lag, ook van de Kerk en voordien bebouwd door Pieter Vergaay; en
  3. een prachtig aan de Molensloot gelegen klein akkertje, pal achter het Molenhuis en op steenworp van de akkers achter ons eigen huis dat mijn vader en Jan op de valreep via Gerbrand Stet van Wener wisten te kopen. (Ik herinner me nog levendig hoe wij daar aan het rode koolplanten zetten waren en de NH-kerk in Oudkarspel vlam zagen vatten. De toeren stortte daarbij in en is sindsdien, ook niet na het genereuze legaat van oom Arie Kroon, nooit meer helemaal opgebouwd.)

Het was namelijk zaak om bij de ruilverkaveling een flink areaal eigen grond te hebben om in die dagen de levensvatbaarheid van het bedrijf te kunnen aantonen en in aanmerkingen te kunnen komen voor extra toewijzingen. Mijn vader bracht bij aanvang van de ruilverkaveling 6,5 ha. in en kreeg na aankoop van het omliggende water en enige vergroting 7,6 ha. toegewezen. Deze waren verdeeld over twee mooie grote kavels achter het huis: een eerste blok van 3,9 ha. En een tweede blok van 3,7 ha. In dat tweede blok waren de Kroonbezittingen van mijn moeder opgegaan: het is goed om haar aan de andere kant van de sloot te houden, zo placht mijn vader te grappen.

De ruilverkaveling: alles op de schop
Ik herinner me nog levendig de komst van de grote bulldozers, de hijskranen en de enorme tractoren met reuzenwielen en kiepbakken, die in een moordend tempo alles op de schop namen. Lange tijd bleef de prachtige Molensloot nog gespaard, totdat ook die gedempt werd. Nog jarenlang liet haar natuurlijke bedding zich evenwel niet onderdrukken. Lange tijd kwam geloof ik ter hoogte van waar Jan en Inge nu aan de Dergmeerweg wonen nog jaarlijks het waterriet hardnekkig omhoog.  Deze hele ruilverkaveling is in terugblik eigenlijk één stuk natuurvernietiging geweest, waartoe nu wellicht niet meer zou worden besloten. Ik koester de herinneringen aan de mooie tochten over het water, soms op zondagochtend vroeg met mijn vader mee die kloetend met een klein schuitje diverse akkers afging om te kijken hoe de groenten erbij stonden. Ook de lange tochten naar de veraf gelegen akkers voerden ons langs brede vaarten met veel vogels. Vooral in de ochtenddauw en in nog grote stilte was dat onvergetelijk mooi.

Deze ruilverkaveling woelde ook het sociale en maatschappelijke leven diep om. Het dorp werd ontsloten, ‘de import’ stroomde binnen. Snel verloor het dorp nog meer van zijn agrarische karakter, een proces dat door schaalvergroting in de veeteelt en tuinbouw en toenemende werkgelegenheid in andere sectoren, zoals de bouw en de industrie (oa Hoogovens in Beverwijk) al langer gaande was. Ik heb later vaak stilgestaan bij het sociale leed waartoe deze ruilverkaveling aanleiding heeft gegeven. Je zag in die dagen het ene bedrijfje na het andere als sneeuw voor de zon verdwijnen. En wie boven de vijftig was kon het vaak eigenlijk niet meer bolwerken en ook niet veel anders meer beginnen. Vooral voor alleenstaande tuinders met een één- of tweemansbedrijf (vaak een broer) kwam de sociale klap van de ruilverkaveling soms hard aan; een enkeling zag dan geen andere uitweg dan zichzelf aan een touw in de koolschuur op te hangen. Ik herinner me hoe ook mijn vader en moeder zich dat sterk aantrokken. Mede door ziekte heeft mijn vader zelf na de ruilverkaveling (hij was toen 53) zijn draai nooit goed meer kunnen vinden. Dat het bedrijf werd voortgezet lag zonder meer aan de energieke inzet en ambitie van mijn broer Jan.

De ruilverkavelingsperiode gebruikte Jan voor een scholing tot hovenier en een verblijf als stagiair-hovenier in een groot tuincentrum Van Vliet en Wielinga in Amsterdam. Ook daarin trok hij mij wel mee. We knapten soms wel tegen redelijke betaling een tuin in Bergen op. Als we dan aan het grasmaaien waren, zag ik soms klasgenoten van het gymnasium op een terras of in het prieel van de grote tuinen in Bergen (gelukkig op grote afstand) een glaasje sherry drinken. Het leidde tot de geleidelijke omschakeling op de biologische tuinbouw, iets wat mijn ouders en wij allen met enige argwaan maar toch ook met heel veel interesse volgden. We kregen daardoor toch wel heel bijzonder kleurrijk volk over de vloer. Dat varieerde van de deftige familie Kamp uit de omgeving van de Eeuwige Laan in Bergen, via de praktische en aanpakkerige dames uit het Bergense biologische verdeelcentrum Gaea (Godin van de Aarde) zoals Mien de Vries, tot en met Oranjevrijstaat- en kaboutervolk, macrobioten en ook wel gewone aardige mafkezen uit Amsterdam waarvan sommigen kwamen mediteren in Jan’s nieuwe kruidentuin. Dat moge aan ons als nuchter spruitjesvolk niet besteed zijn geweest, toch passeerden zij allen bij mijn vader en moeder door de keuken en werden ze vrijwel allen in werkpauzes op koffie en thee onthaald.

Al snel ontwikkelde het bedrijf zich tot een serieuze onderneming en kwamen diverse mensen bij Jan in dienst. Het was zeer gezellig werken met Tienus Vader (een volbloed tuindersvakman uit St. Pancras), Hans Donderwinkel (ooit in De Telegraaf aangeduid als ‘de schaduwminister’ van Landbouw in Roel van Duijn’s Oranjevrijstaat, maar Hans was zeker ook toen al op allerlei andere markten thuis), Bob Greve (een aardige, gesjeesde advocatenzoon) en de loei sterke Paul van Herwijnen uit Bergen (zoon van de beroemde schilder Jan van Herwijnen). Hun inzet was groot: ik herinner mij dat toen Tienus verkering had met Aly hij soms haar klacht rapporteerde dat hij de weekendavonden al vroeg vrij snel op een bank of in een bioscoop in slaap viel… Ook de komst van de charmante stagiaire Inge de Roos en de vrolijke Maartje Fisher was een grote verrijking van het team.

De Lepelaar op het Rijpje met uitzicht op de Westfriese Dijk

Vlak voor en zeker ook na de ruilverkaveling bracht ik ook wel vrienden en –vriendinnen van het Murmellius Gymnasium in Alkmaar en later de Groningse universiteit mee, die al vrij snel ingezet werden bij het werk op het land. Udo is daar een vroeg en geslaagd voorbeeld van, hij is altijd een trouw vriend van de gehele familie gebleven. Alhoewel mijn moeder het vast zal ontkennen, werden misschien toch ook wel de vrienden van Marry (Kees de Geus en Kees Doets) en Lyda (o.a. Gerard Zutt) ook mede stilletjes beoordeeld op hun mogelijk tuinderstalent en inzetbaarheid op het land. Ook vanuit de Groningse universiteit voerde ik wel enthousiaste jonge arbeidskrachten mee, waaronder Thoos van der Hem en Betty de Jong. Alhoewel zij als respectievelijk notarisdochter (Jorwert) en architectdochter (Ommen en plaatsgenoot van de familie Donderwinkel) toch weinig kaas van het landwerk hadden gegeten, genoten zij volop. In de jaren zeventig heb ik diverse lange zomers op het land gewerkt en er waren jaren dat ik voelde dat ik het ambacht van vakkundig schoffelen, het zaaien van sperziebonen en zelfs het wieden en ander ‘verpleegwerk’ met de tractor tamelijk goed onder de knie had. Jan gaf graag alle ruimte aan mij en anderen om dingen zelf te doen. Mijn eigen loopbaan en leven maakten dat ik er geleidelijk aan jammer genoeg niet meer aan toekwam om op het land te werken.

Bij vrijwel ieder bezoek aan Warmenhuizen kijken we nu altijd nog even in en bij de schuur van De Lepelaar en nemen we dikwijls wat verse groenten en eieren mee. Ook is de situatie op het land een vast onderwerp in de wekelijkse telefoongesprekken met mijn moeder. Daarbij rapporteert zij enthousiast over het landwerk, de oogsten en de bestellingen. Gelukkig laat zij tot op heden, anno 2004, ook dikwijls niet na mij soms in détail te vertellen op welke stukken land naar haar waarneming het onkruid eigenlijk een te vrije hand heeft gekregen; waar naar haar oordeel er net iets eerder gemest en gespit had moeten worden; of dat de kool eerder binnengehaald had moeten worden. Mijn moeder benadrukt evenwel steeds hoe hard er op het land door het gehele team gewerkt wordt en schept daar duidelijk een groot genoegen in.

Ik denk dat enkele jaren geleden weinigen hadden durven voorspellen dat Jan en Inge het dorp Warmenhuizen nog zouden gaan verlaten. Het heeft in ieder geval mij verbaasd dat zij de stap naar het Rijpje hebben doorgezet. Met name Jan is sociaal zo diep in Warmenhuizen verankerd en vergroeid geraakt met de mensen en instituties aldaar, zoals de N.H. Kerk en de harmonie. Maar kennelijk is de ondernemingszin kennelijk toch sterker dan de sociale en maatschappelijke wortels, hoe diep die ook mogen reiken. En wie nu met eigen ogen ziet op wat een prachtige plek De Lepelaar en zij zich gaan nestelen, met onder meer een mooi uitzicht op de monumentale Westfriesedijk, kan hen geen ongelijk geven. Het heeft me veel plezier gegeven om een aantal van deze levendige herinneringen aan onze jeugd en het bedrijf van vóór en na de ruilverkaveling eens op te schrijven en ik verheug me erop de bijdragen van de andere schrijvers te lezen.

Nico Schrijver, Oegstgeest 4 april 2004.

Dit hoofdstuk vormt een aanvulling op mijn eerdere bijdrage ‘Uit de klei gewassen, maar toch ontaard?’, in Maarten Kuiper en Volkert J. Nobel, Een kijkje in de geschiedenis van WARMENHUIZEN, Stolphoevereeks XII, Historisch genootschap ‘Oud West-Friesland’, Hoorn, s.d., blz. 93-98.